8 september 2026

Voorkom een PGB-affaire

Sinds 1 januari 2026 wordt de regeling dienstverlening aan huis anders uitgevoerd. Hierdoor worden PGB-houders automatisch werkgever van hun zorgverleners. Probleem is alleen dat de Eerste Kamer vandaag pas over de wetswijziging debatteert! Veel PGB-houders dreigen in de knel te komen omdat het geld, die gemoeid is met deze wet, al vanaf 1 januari nodig is maar pas wordt uitgekeerd als de wet wordt aanvaardt. Dat terwijl de wet zelf haken en ogen kent. Peter Schalk leverde daarom de volgende scherpe bijdrage.

Mevrouw de voorzitter, de eerste dag na het zomerreces wil ik beginnen met een indrukwekkend citaat:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Regeling dienstverlening aan huis, die betrekking heeft op de rechtspositie van werknemers die doorgaans op minder dan vier dagen per week werken in het huishouden van een natuurlijk persoon, niet van toepassing te laten zijn bij aangewezen publiek gefinancierde dienstverlening; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wijgoedvinden en verstaan bij deze: [en dan volgen de voorgesteldewetswijzigingen.]

Mevrouw de voorzitter, het gaat mij natuurlijk om de laatste zinsnede: ‘Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,’ en dan zitten we midden in een staatsrechtelijk vraagstuk. Bij uitstek een zaak voor de Eerste Kamer, lijkt me.

Immers, het is evident dat een wet pas in werking kan en mag treden nadat het parlement daartoe alle stappen heeft doorlopen, en nadat vervolgens de Koning en de minister deze ondertekend heeft. Dat is niet alleen een zaak van goed fatsoen, of van normale gezagsverhoudingen. Onze Grondwet maakt het ondubbelzinnig duidelijk in Artikel 47: “Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend”.

Maar wie schetst mijn verbazing: deze wet is al in werking getreden per 1 januari 2026.

  • Is dit niet een miskenning van de rol en de positie van de Koning?
  • Of is dit afgestemd met de Koning wiens naam in de eerste zin van de wet wordt genoemd, en wiens handtekening geplaatst moet zijn onder een aangenomen wet?

En wat de positie van de Eerste Kamer betreft, ik vraag me wel af hoe we hier als Kamer mee om moeten gaan, en of we eigenlijk een wetsvoorstel moeten behandelen waar niet grondwettelijk mee gehandeld wordt. Kortom,

  • Kan de minister aangeven hoe hij de positie van deze Kamer ziet, en op welke wijze dit proces de staatsrechtelijke toets kan doorstaan?

Concreet hebben we het nu dus over een wet die is ingegaan op 1 januari 2026, terwijl daar nu in september nog niet eens een wettelijke grondslag voor is. Voor de extra kosten die budgethouders maken is extra geld gereserveerd. Echter, daarvoor wordt wel gewacht totdat er een wettelijke grondslag is, waardoor budgethouders nu al in de knel zitten. In principe wordt het parlement met de rug tegen de muur gezet. We moeten deze wet nu aannemen omdat de budgethouders anders niet het extra geld krijgen dat voor de uitvoering van deze wet is gereserveerd.

  • Stel dat deze wet het hier in de EK niet haalt, wat is dan de opgelopen schade voor de betrokkenen, en wordt daar compensatie voor geboden?

Dit klemt te meer omdat in 2025 al onomkeerbare stappen zijn gezet met de ICT-processen bij de betreffende diensten.

  • Hoe kan dat, als het wetsvoorstel nu nog steeds niet is afgerond?

Inmiddels hebben we ook een brief van de minister gekregen, gedateerd 18 juni, die voor vandaag voor ‘inbreng’ staat geagendeerd in de commissie SZW.

Mevrouw de voorzitter, ik zal in die betreffende commissie SZW geen inbreng leveren, maar mijn vragen over deze brief maar meenemen in dit debat. Het is namelijk een inhoudsloze brief. Het proces wordt een paar keer besproken, en de geleerde lessen zijn flinterdun: Interdepartementale gesprekken hebben opgeleverd dat de Kamer goed moet worden meegenomen als het complex is. En het belang van de trialoog tussen parlement, de ministeries en de uitvoeringsorganisaties wordt onderstreept.

Maar daar gaat het hier helemaal niet over. Er is gewoon een wet in gang gezet waar geen wettelijke grondslag voor is. In zijn brief geeft de minister aan dat hiermee aan de motie van Kamerlid Flach en de motie van de Kamerleden Wendel (VVD) en Neijenhuis (D66) invulling is gegeven.

  • Kan de minister aangeven of deze Kamerleden hun moties als voldaan hebben aangemerkt?

Nu naar de inhoud van dit wetsvoorstel. Het lijkt er een beetje op dat dit nu typisch een geval is van wat door de Ombudsman wordt omschreven met de term: incidentenregelreflex. Er vindt een incident plaats, en vervolgens moet alles wijken om zo spoedig mogelijk een regeling op te tuigen die het incident oplost.

Maar de oplossing die gezocht is levert heel wat nieuwe problemen op. Vooral omdat de oplossing geen recht doet aan de posities van mantelzorgers voor kwetsbare personen.

Stel dat een kwetsbaar kind met allerlei beperkingen een persoonsgebonden budget (PGB) heeft, en de ouders zijn in staat om zelf de nodige mantelzorg te verlenen, dan wordt in feite het kind de werkgever van de ouder. Het kind moet werkgeversverzekeringen afsluiten, en krijgt allerlei andere wettelijke werkgeverstaken. Ik wil zeker niet badinerend doen, maar er zijn nogal wat taken die in een dergelijke verhouding echt niet goed uitpakken: denk aan situaties rond ziekte van de werknemer die tevens ouder is, denk aan voortgangs- of functioneringsgesprekken die gevoerd dienen te worden, denk aan eventueel disfunctioneren van de ouder, en wat gebeurt er als de werkgever zich misdraagt ten opzichte van de werknemer.

En zeker, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kan wat regelzaken waarnemen voor de PGB-houder, maar dat zal niet kosteloos gebeuren, dus dat snoept ook weer geld uit het PGB.

  • Zijn dit soort consequenties eigenlijk wel goed doordacht? Zijn er oplossingen gevonden, die de normale verhoudingen binnen een gezin niet schaden?

Overigens zijn er ook andere verhoudingen dan die binnen het gezin. Dat kunnen familieverhoudingen zijn, maar ook met mantelzorgers die van buiten directe kring van familieleden komen. Daarbij zijn er soms kleine taken, die overgenomen worden door andere mantelzorgers. Ook als dat maar een taak is die eens per week of per maand wordt uitgevoerd.

  • Is het optuigen van deze werkgeversrol dan nog proportioneel, zo vraag ik aan de minister?

Het Kamerlid Flach in de Tweede Kamer heeft ook een motie ingediend omtrent een verkenning naar vereenvoudiging en verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk worden meegewogen.

  • Hoe kan worden voorkomen dat er vervolgens een nieuw gelijke behandelingsprobleem ontstaat, met name als het gaat om onderscheid tussen werknemers?

Er waren zorgen over het wegschrijven van werkgeverslasten door de SVB, waardoor de budgetten lager uitvallen. Vervolgens wordt dat probleem vanuit de budgethouder op het bordje van de zorgverlener gelegd. Daar komt bij dat de budgethouder als werkgever ook aansprakelijk is, bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener. Bij langere ziekteperiodes kan dat lastig zijn, zeker als de budgetten tussentijds worden aangepast.

  • Kan dit worden voorkomen?

De SVB heeft in haar uitvoeringstoets opgenomen dat met de invoering van de wet budgethouders moeten voldoen aan meer werkgeverstaken.  Dit brengt extra verplichtingen met zich mee. Zo worden de administratieve lasten verhoogd door de bijkomende werkgeverstaken en vraagt het budgetteren meer van budgethouders nu er rekening gehouden dient te worden met de werkgeverslasten. Het blijkt dat de SVB de werkgeverslasten bij voorbaat aftrekt van de te verstrekken budgetten, zonder dat voor deze extra werkgeverslasten aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld. Als gevolg ontvangen budgetverstrekkers minder budget om uit te keren, waarvan zij ook nog hun uitvoeringslasten moeten bekostigen. Als gevolg daarvan ontvangen budgethouders netto minder budget dan voorheen. Deze bijkomende administratieve last heeft mogelijk impact op het doenvermogen van deze budgethouders.

  • Op welke wijze gaat de regering dit probleem oplossen?

Mevrouw de voorzitter, de fractie van de SGP heeft dus behoorlijke twijfels bij dit wetsvoorstel, zowel staatsrechtelijk als het gaat om het proces, als ook inhoudelijk als het gaat om de werkgeversrol die massief bij budgethouders wordt neergelegd. Daardoor krijgen kwetsbare mensen een zware taak.

Ik zie dan ook uit naar de reactie van de minister.